Wat betekent orthomoleculair?
Het woord ‘orthos’ komt uit het Grieks en betekent: juist, recht of gezond. ‘Moleculair’ verwijst naar de structuur van de moleculen. Samen betekent deze twee worden ‘juiste moleculen’.
De orthomoleculaire geneeskunde is de wetenschap die bestudeerd hoe men de optimale hoeveelheid voedingsstoffen binnen kan krijgen, optimaal kan opnemen en optimaal kan gebruiken
Wat is orthomoleculaire voeding?
Waarom biologische voeding?
Veel chronische verstoringen in het lichaam zijn terug te herleiden naar (subtiele) tekorten van voedingsstoffen. Op basis van de symptomen kan een orthomoleculair therapeut/arts of kPNI therapeut inschatten welke (subtiele) tekorten er mogelijk spelen of voor welke voedingsstoffen er (tijdelijk) een verhoogde behoefte is.
Om de tekorten of verhoogde behoefte weer vlot te kunnen trekken, worden specifieke voedingsstoffen ingezet, waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat deze een positief effect hebben. Als eerst wordt gekeken of deze voedingsstoffen zoveel mogelijk uit het voedingspatroon gehaald kan worden. Hierbij kun je spreken van orthomoleculaire voeding. De basis van orthomoleculaire voeding bestaat uit:
- Groente
- Fruit
- Zeegroente
- Vis
- Schelp- en schaaldieren
- Gevogelte
- Noten
- Zaden
Bij orthomoleculaire voeding is voor bewerkte voeding nauwelijks plek. Zuivel, granen, peulvruchten en vlees van zoogdieren hebben afhankelijk van de persoon in kwestie wel of geen plek in zijn of haar voedingspatroon.
Ik adviseer bijna altijd voor mijn clienten om gezonde voeding te eten, dit betekend wel dat je ten eerste alle groenten, fruit en vlees biologisch moet inkopen, of althans hoofdzakelijk biologische voeding.
Mocht het niet lukken om met volwaardige orthomoleculaire voeding te voldoen aan voldoende voedingsstoffen, dan kunnen supplementen worden ingezet.
Let op: Een orthomoleculair voedingspatroon is voor elk persoon anders.
De bodem speelt een grotere rol in onze gezondheid dan veel mensen denken.
Grof gezegd bestaat een plant uit twee delen: een bovengronds en een ondergronds deel. Het deel dat boven de grond zit wordt gebruikt om zonlicht te vangen, een bekend voorbeeld hiervan is het groene blad van een boom. In dat blad wordt het zonlicht gebruikt om met behulp van fotosynthese glucose te maken. Die glucose wordt naar het ondergrondse deel van de plant, de wortels, vervoerd.
De wortels hebben contact met de grond en de micro-organismen. Het contactgebied wordt de rhizosfeer genoemd. De rhizosfeer wordt bevolkt door een mix van micro-organismen die iets kunnen bieden aan de plant. Op hun beurt krijgen ze er glucose voor terug. Er zijn bijvoorbeeld schimmels die meterslange draden onder de grond vormen en zo de plant van voedingsstoffen voorzien. Een ander voorbeeld zijn bacteriën die stikstof vrijmaken waardoor de plant kan groeien.
Doordat elk micro-organisme zijn eigen specialisme heeft en elke plant zijn eigen behoefte, is de samenstelling van micro-organismen in de rhizosfeer voor elke plant uniek. Als we naar het grotere plaatje kijken, zoals in een bos, zien we veel verschillende soorten planten en daardoor ook veel verschillende soorten micro-organismen. Alles bij elkaar zorgt het ervoor dat het bodemleven gevarieerd is en dat de voedingsstoffen worden gerecycled: de ene zijn dood is de ander zijn brood.
Maar wat als de balans wordt verstoord?
De verstoringen zien we met name terug in de landbouw. Dat gebeurt door het land te ploegen, kunstmest te strooien en pesticiden te spuiten. Bovendien worden eenzelfde soort groentes in grote getalen geteeld: de monocultuur. De combinatie van deze landbouwmethodes verstoort het bodemleven enorm, met alle gevolgen van dien.
Ik zeg niet dat landbouwers het fout doen. Zij worden betaald voor de hoeveelheid oogst die zij produceren, niet voor het bodemleven. Om te begrijpen wat kan worden verbeterd, is het belangrijk te weten wat er nu mis gaat.
We zien dus dat de landbouw een grote invloed heeft op de gezondheid van de bodem. Als we de bodem in een voedselpiramide zetten, kunnen we de mens in de top zetten, de dieren en planten in het midden en de bodem als de basis. Verstoringen in de bodem worden uiteindelijk teruggezien in planten, dieren en de mens. We zien dat vooral terug in de vorm van ziektes, die te maken hebben met een gebrek aan nutriënten en micro-organismen in de voeding.
In de biologische landbouw wordt veel meer rekening gehouden met een gezonde bodem, hierdoor krijgen de biologisch geteelde planten wel de juiste micronutriënten en fytonutriënten uit de bodem, en waar ons lichaam uit is opgebouwd en nodig heeft om fysiek maar ook psychisch gezond te blijven.
Welke tekorten komen vaak voor?
Volgens het voedingscentrum komen tekorten van vitaminen en mineralen bijna niet voor, maar daar is de orthomoleculaire geneeskunde het niet mee eens.
Het klopt dat zware tekorten inderdaad nauwelijks nog voorkomen, maar subtiele tekorten komen wel degelijk heel vaak voor.
Dit geldt met name voor:
- Vitamine D3
Deze vitamine (die eigenlijk werkt als een hormoon) maakt vooral onze huid aan door middel van voldoende zonlicht. Aangezien veel mensen te weinig buiten komen en de zon in de herfst- en wintermaanden te zwak is, ligt de kans op een vitamine D3 tekort snel op de loer. Vitamine D3 kan je ook via voeding binnen krijgen, maar dat is onvoldoende voor een gezonde vitamine D3 spiegel. - Vitamine K2
Deze vitamine vind je in dierlijk voedsel. Ben je vegetarisch, dan kan een vitamine K2 tekort makkelijker ontstaan. Ook bij spijsverteringsproblemen, wordt de opname van vitamine K2 behoorlijk belemmerd. - Vitamine B12
Ook voor vitamine B12 geldt dat dit vooral te vinden is in dierlijk voedsel en vegetarisch (en vooral veganisten) dus sneller een tekort ontwikkelen. Het is daarom ook niet voor niets dat het voedingscentrum adviseert om B12 bij te slikken, wanneer je een vegetarisch/veganistisch dieet volgt. - Magnesium
Dit mineraal staat bekend als anti-stress stof. Toch hebben veel mensen net iets teveel chronische stress. Bij chronische stress wordt magnesium sneller verbruikt, waardoor de behoefte hoger is. Ook is dit mineraal vooral te vinden in groente bladgroente. Helaas eten de meeste Nederlanders veel te weinig groente en is dus ook de kans op een magnesium tekort groot. - Jodium
Jodium vind je van origine vooral in schelp- en schaaldieren, maar dat eten de meeste Nederlanders niet vaak genoeg. Ook is grond steeds armer geworden aan jodium, waardoor ook de hoeveelheid jodium in planten is afgenomen. Daarom heeft de Gezondheidsraad tientallen jaren geleden geadviseerd om jodium toe te voegen aan bakkerszout, zodat men toch voldoende jodium binnen krijgt via het eten van brood. Maar tegenwoordig eten steeds minder mensen brood en als je dit niet compenseert met voldoende schelp- en schaaldieren, loop je de kans op een tekort aan jodium. - Zink
Nederlanders eten veel voedingsmiddelen met fytaten, want deze stof vindt men vooral in granen en peulvruchten. Fytaten remmen de opname van zink. Daarbij zit ook zink, net zoals jodium, met name in schelp- en schaaldieren en dat eten de meeste Nederlanders niet vaak genoeg. - Selenium
Dit mineraal staat bekend vanwege zijn anti-oxidatieve werking. Oftewel, het neutraliseert vrije radicalen. Selenium een bouwstof van glutathion, een hele sterke lichaamseigen anti-oxidant. Aangezien we in de moderne wereld steeds vaker te maken hebben met allerlei toxines, zoals luchtvervuiling en bestrijdingsmiddelen, is een inname van voldoende selenium geen overbodige luxe. - Omega 3 vetzuren
Omega 3 vetzuren zijn ontstekingsremmend, in tegenstelling tot de omega 6 vetzuren die veelal ontstekingsbevorderend zijn. Helaas krijgen we gemiddeld veel te veel omega 6 vetzuren binnen en te weinig omega 3 vetzuren. Omega 3 vetzuren vind je vooral in zeevoedsel, zoals vis en zeegroente. Omega 6 vetzuren vind je met name in plantaardige oliën, zoals palmolie, zonnebloemolie en sesamolie. Daarom is het voor veel mensen verstandig dit soort oliën te beperken en zeevoedsel in je voedingspatroon te verhogen.
Voor wie is orthomoleculaire voeding geschikt?
Een orthomoleculair therapeut/arts stelt een persoonlijk therapieplan op, waarmee (subtiele) tekorten van voedingsstoffen kunnen worden aangepakt. Orthomoleculaire voeding is vaak het belangrijkste deel van dit persoonlijk therapieplan, maar niet het enige.
Een orthomoleculair therapeut/arts kijkt breder dan alleen voeding en suppletie. Er wordt ook advies gegeven over leefstijlfactoren zoals de hoeveelheid inspanning en ontspanning, bioritme, sociaal gedrag en mindset.
Een orthomoleculair behandelplan is succesvol gebleken bij een groot aantal chronische aandoeningen. Zo wordt orthomoleculaire therapie onder andere ingezet voor:
- Metabole aandoeningen (diabetes type 2, overgewicht)
- Hart- en vaatziekten (hoog cholesterol, hoge bloeddruk, aderverkalking)
- Hormonale problemen (slaapproblemen, schildklieraandoeningen, menstruatieproblemen)
- Gewrichtsklachten (artrose, osteoporose)
- Spijsverteringsklachten (diarree, obstipatie, brandend maagzuur)
- Allergieën (hooikoorts)
- Huidproblemen (acné, psoriasis, eczeem)
Orthomoleculaire therapie kan ook preventief worden ingezet, waarbij het doel is om zo lang mogelijk in optimale gezondheid te blijven.